| piramides vierde dynastie |
|
Gizeh De zoon en opvolger van Snefroe, Chuefui-Chnoem, verplaatste de residentie en de necropool naar Memfis en Gizeh. Chuefui-Chnoem betekent: de god Chnoem beschermt mij, maar hij werd ook ‘Heer van Ma’at’ genoemd. Waarschijnlijk koos hij het kalksteenplateau van Gizeh voor de bouw van zijn piramide, omdat er in Dasjoer niet genoeg ruimte meer was voor zijn grootse plannen. Zijn grafcomplex kreeg de naam Achet-Choefoe, ‘de horizon van Choefoe’. In dit complex kunnen we de standaardonderdelen van een piramidecomplex voor het eerst zien: daltempel, overdekte processieweg, dodentempel en piramide. Aangezien het hele complex ommuurd was vormde de daltempel de enige toegang. Wie de daltempel betrad liet de wereld van Re, van de voorbijgaande tijd (Neneh) achter zich en betrad die van de heilige tijd (Djet). De daltempel behoorde tot Djet en er heerste schemering en stilte. Geen wereldse afleidingen waren daar, maar het bewustzijn werd gericht op de aanwezigheid van de goden. De mens werd in de daltempel ‘gestemd voor de eeuwigheid’. Als de rituelen van reiniging en ‘stemming’ waren volbracht, dan mocht de sterveling de weg betreden naar de piramidetempel. Ook deze weg was schemerig en er was geen contact met de buitenwereld, de zonovergoten wereld van Re. Door smalle lichtspleten viel wat karig licht: het licht van Ma’at. De platen die het plafond vormden van de processieweg hebben namelijk de vorm van het hiëroglief van Ma’at. Aan het eind van de lange overdekte weg wachtte een gesloten deur die toegang gaf tot de dodentempel, waarover later meer.
Het plateau van Gizeh heeft veel te bieden en er valt ook veel mis te lopen en om dat laatste te voorkomen volgt hier een routebeschrijving over het plateau die langs de belangrijkste bezienswaardigheden voert en opmerkelijke details meteen meeneemt. We beginnen bij de ingang van het complex aan de noordzijde van de piramide van Choefoe. Daar is in de noordoosthoek ook de kassa waar je tickets kunt kopen voor een bezoek aan de kamers in de piramide. Aangezien de verkoop meteen na opening van het complex start is het aan te bevelen direct naar die kassa te gaan en eerst kaartjes te bemachtigen voor een bezoek. Nadat we de kamers van Choefoe hebben gezien, volgen we de route langs de oostelijke zijde van de piramide. Hier zien we eerst de resten van de basalten vloer van de dodentempel die aan de piramide grensde. Wie goed kijkt kan aan de noordoostkant van de vloerresten ook de sporen van de heilige weg herkennen, die naar de daltempel leidde. We volgen deze weg een stuk naar het oosten en komen tussen de mastaba’s van de koninklijke familie terecht. Misschien is een aantal graven geopend voor bezoekers en doet zich zo de kans voor een mastaba van binnen te zien. Aan het einde van de weg gaan we in zuidelijke richting en komen zo tussen de graven van de ambtenaren terecht, waarvan enkele te bezichtigen zijn. Als we dit terrein verlaten zien we links onderaan de helling de Sfinx liggen. We bezoeken de leeuw in het zand en volgen de route door de daltempel van Chefre en de heilige weg omhoog naar de dodentempel bij de piramide. Vandaar gaan we naar het zuiden en passeren de piramide van Menkaure aan de oostkant. We gaan om de drie koninginnepiramides heen en komen via de westkant bij de ingang van de piramide van Menkaure. Ook deze is te bezoeken. Wie een kaartje heeft gekocht, gaat aan de noordkant naar binnen. Na ons bezoek gaan we verder, blijven aan de westkant en lopen langs de piramide Chefre. Zo komen we uiteindelijk weer uit bij ons beginpunt, de piramide van Choefoe.
Het bouwproces De basis van de piramide van Choefoe werd in de rots gekerfd toen het bouwterrein geëgaliseerd werd en omdat die inkervingen nog altijd zichtbaar zijn, heeft men kunnen nameten hoe exact de oude landmeters te werk gingen. De basis meet 230 bij 230 meter, heeft een maximaal hoogteverschil van 2,1 centimeter en een maximale afwijking in lengte van 4,4 centimeter. De vier hoeken zijn uitermate nauwkeurig 90 graden. De vier zijden zijn nauwgezet op de windrichtingen uitgericht en de afwijkingen zijn dermate klein dat we met moderne meetinstrumenten weliswaar exacter kunnen meten maar in de uitvoering zelden zo precies te werk gaan. Het feit dat de bouwers niet alleen zo secuur de maten uitzetten, maar ook zo bouwden, geeft aan dat het erop aankwam het gebouw in relatie tot kosmische verhoudingen te plaatsen. Het oppervlak van de piramide werd net zo nauwkeurig behandeld. Er werd hagelwitte kalksteen uit Toera gebruikt en de stenen werden zo precies aan elkaar gepast dat er een gigantisch vlak ontstond zonder onderbreking of schaduw. De top werd voorzien van een piramidion dat met goud was bekleed en dat op zichzelf ook weer een kleine piramide was. Het piramidion heette benben een woord dat is afgeleid van het werkwoord weben dat ‘opgaan’ betekent of ‘opstijgen van de zon’. Door de perfect gladde zijden maakte de piramide de indruk alleen uit buitenkant te bestaan, hij gaf geen aanwijzing dat er ook een ‘binnen’ bestond, als dat er al was dan werd dat zorgvuldig verborgen gehouden, zelfs aan het bewustzijn onttrokken. Maar die ontoegankelijkheid heeft ook geleid tot speculaties over de vele geheimen die het bouwwerk zou herbergen, en daar is nog steeds geen einde aan gekomen, hoeveel we tegenwoordig ook weten. Laten we, zonder te speculeren, eerst eens het terrein verkennen. De huidige toegang tot het complex van Gizeh ligt aan de noordkant en de eerste piramide die we zien is meteen de grootste, die van Choefoe. Ondanks het ontbreken van de mantellaag is het een indrukwekkend gezicht en de bijbehorende cijfers zijn duizelingwekkend. De piramide was oorspronkelijk 146,59 meter en is tegenwoordig 138,75 meter hoog. Er zijn ca. 2,3 miljoen stenen in verwerkt met een gemiddeld gewicht van 2,5 ton. Het hele complex van piramide, processieweg, twee tempels, drie koninginnepiramides en mastaba’s heeft een massa van ca. 2,7 miljoen kubieke meter. Als we de regeringsperiode van Choefoe op 32 jaar schatten dan moesten de bouwers per dag 230 kubieke meter steen verwerken gedurende die hele periode, zonder een dag rust te nemen. Als we de bouwactiviteiten van de hele vierde dynastie op een rijtje zetten, krijgen we een indruk van de geweldige prestatie die in zo'n kort tijdsbestek werd geleverd. De dynastie gebruikte in totaal zo'n 23 miljoen ton steen voor haar bouwprojecten. In het totale complex te Gizeh werden 12.066.000 blokken kalksteen verwerkt, wat een bouwvolume oplevert van bijna 9.000.000 kubieke meter. Dit vormt 80 % van het totaal dat er tijdens de hele piramidetijd werd gebruikt; een veelzeggend percentage!
Piramides van de vierde dynastie plaats naam hoogte massa (in meters) (in miljoenen tonnen) ____________________________________________________________ Meidoem Snefroe 80 1,6 Dasjoer Snefroe 102 3,59 Dasjoer Snefroe 101 4,00 Gizeh Choefoe 147 6,18 Gizeh Chefre 140 5,28 Gizeh Menkaure 65 0,57 Aboe Roewasj Djedefra 67 0,5 Zawyat-al-aryan Nebka 137 1,5 _____ 23,22
Het rotsplateau te Gizeh ligt op 21 kilometer ten noorden van Dasjoer, het is 2,2 kilometer lang en 1,1 kilometer breed. Op de plaats van de bouw van de piramide van Choefoe bevond zich een natuurlijke rotsheuvel die werd bewerkt en deel uitmaakt van de piramide. In de noordoosthoek is een deel van die natuurlijke rots te zien en ook hoe hij is aangepast aan de steenlagen die hem omringen. De schattingen van de grootte van de rots lopen uiteen maar over het algemeen gaat men ervan uit dat de rots ongeveer acht meter hoog was en dat hij 51% uitmaakt van de onderste acht lagen van het bouwwerk. Daardoor vorderden de werkzaamheden vlot, want de rots draagt 7,8 % bij aan het totale bouwvolume.
Stenen voor een piramide De piramide werd gebouwd uit twee steensoorten: voor de ruwbouw gebruikte men een grove gele kalksteen, die vlak bij de bouwplaats werd gevonden; de tweede was een befaamde vaste kalksteensoort (toera), 'de mooie witte steen van Anoe' genaamd, die werd gevonden in het rotsmassief van Mokattam op de oostelijke oever van de Nijl. Het uithakken van de blokken kalksteen gebeurde met houten en koperen gereedschap en met vuurstenen beitels: ijzer en brons waren nog onbekend. Nadat een landmeter samen met de bouwopzichter een netwerk van draden had gespannen, waarmee de maten van de stenen werden aangegeven, hakten de steenhouwers loopgraven uit van ongeveer 55 centimeter breed. In die loopgraaf staand, hakten zij de steen zo diep uit als was aangegeven, om dan met wiggen de steen van onderuit los te hakken. De betere kwaliteit kalksteen uit Anoe werd recht uit de wand gezaagd en gehakt, omdat de laag geschikte steen daar dikker was. De steengroeven zijn indrukwekkende getuigen van het bouwproject van de piramides. De hallen zijn soms wel tien meter hoog en dringen tot vijftig meter in de rots door, met hier en daar massieve pijlers, die werden uitgespaard om het plafond te stutten. Bekend is dat in de groeven ploegen van bijna 19.000 steenhouwers tegelijk werkten. Hoe de Egyptenaren het klaarspeelden om blokken van vijftig ton uit de steengroeve te tillen, voort te bewegen en zo precies in te passen in de piramide dat zelfs een scheermesje er niet tussen past, is en blijft een raadsel! Een raadsel dat niet kleiner wordt als we de te verwerken steenmassa's op de bouwplaats aan ons geestesoog laten passeren. De nog ruw uitgehakte stenen werden per schip naar de bouwplaats gebracht. Waarschijnlijk op de plaats waar later de daltempel werd gebouwd kwamen de stenen aan land. De Egyptenaren beschikten niet over wagens, waar de stenen op werden vervoerd. Het Nijlslib heeft echter de kwaliteit dat het snel droogt en een harde laag vormt, die verandert in een spiegelglad oppervlak als hij nat wordt. Op sleden werden de blokken gesleept naar de bouwplaats, maar de vraag hoe ze omhoog werden gebracht naar het bouwniveau is nog altijd onbeantwoord, hoewel er allerlei theoriëen over bestaan. Onder egyptologen is de theorie van U. Hölscher en die van N.F. Wheeler de meest aanvaarde. Deze ontgaan elkaar niet veel en komen beide neer op de gedachte van een spiraalsgewijze oplopende weg langs de piramidewanden. Met het groeien van de piramide in de hoogte wikkelde de spiraal zich kronkelend langs de zijden alsmaar hoger en werd het aantal bochten dat de arbeiders moesten nemen eveneens groter in aantal. Een andere theorie, van de Franse egyptoloog Goyon, houdt in dat er een rechte oplopende weg werd aangelegd. Balken werden dwars in het wegdek gelegd en de leem ertussen werd besproeid met water. De leem werd daardoor zo glad dat een slede er gemakkelijk over getrokken kon worden. Een aantal arbeiders liep voor de slede en trok deze over de hellende weg omhoog naar het bouwniveau, terwijl enkele mannen voor de slede uit liepen en de weg besprenkelden. Hoewel deze theorie er aannemelijk uitziet, zitten er twee grote struikelblokken in: Er moesten 2.600.000 stenen naar de bouwplaats worden gesleept, die ter plaatse werden bijgehakt en geschuurd; dat betekent een totaalgewicht van ca. 7.000.000 ton. Het gemiddelde gewicht lag rond de 1500 kilo per steen, maar er waren blokken van 15 ton bij. Als we uitgaan van de theorie van een hellende weg die naar het bouwniveau voerde, dan mocht die een hellingshoek hebben van 15 tot maximaal 20 graden, dat is een stijging van ongeveer vier vingerdiktes per meter. Bij het gemiddelde gewicht van een steen moeten we dan nog zo'n 500 kilo tellen voor het gewicht van de slede en de touwen, wat het totaal op 2000 kilo brengt. Voor zo'n steen zijn dan zeker 78 man nodig om de slede omhoog te krijgen. Bij een blok van ca. 40 ton (waarvan een aantal blokken zijn verwerkt in de piramide van Cheops) zijn dan 1066 man nodig. Als we even aannemen, naar de suggestie van Herodotos, dat de bouw van de piramide van Cheops 20 jaar in beslag nam dan kunnen ze niet meer dan 100 dagen per jaar gewerkt hebben aan de bouw, omdat tijdens de overstroming van de Nijl het werken op het land onmogelijk was. We gaan uit van een werkdag van 13 uur, omdat in het donker niet gewerkt kon worden. Dan moeten per dag 1300 blokken zijn verwerkt, wat neerkomt op een gemiddelde van twee stenen per minuut! In een uur moeten dan 9360 arbeiders 120 blokken over de hellende weg hebben getrokken. Daarbij moeten we nog betrekken dat de weg met de piramide mee moest groeien de hoogte in, wat in totaal nog eens een bouwvolume betekende van 12.000.000 ton Nijlslib. Zelfs als men het hele jaar doorwerkte, zonder één dag te stoppen blijft het aantal stenen dat per uur verwerkt moest worden een logistieke nachtmerrie. En daar zijn we meteen bij het tweede probleem dat aan deze theorie kleeft: de hellende weg zou op een bepaalde hoogte (de piramide was bijna 150 meter hoog) zo lang zijn geworden (bijna 3 kilometer), dat hij voorbij de Nijl zou uitsteken. Zou de lengte van de weg kort blijven, maar de hoogte stijgen, dan stijgt ook de hellinghoek en wordt het moeilijker om stenen omhoog te krijgen. Hoe de arbeiders de stenen naar het bouwniveau sleepten blijft door dat soort technische problemen tot op de dag van vandaag een raadsel. Het is goed als we ons realiseren dat de Egyptenaren van het Oude Rijk geen trekdieren gebruikten bij het werk. Het enige dier dat hielp bij de werkzaamheden was de ezel en alleen maar als pakdier bij het vervoer van tichels. Als we dan ook nog weten dat men het wiel nog niet kende en ook onbekend was met de katrol, dan wordt het gepresteerde helemaal een hoogst merkwaardig kunststukje. We weten inmiddels dat er een vaste ploeg professionele piramidebouwers was die in een eigen dorp in Gizeh woonden vlakbij de bouwplaats. De gevonden resten van dat dorp geven als indicatie dat er tussen de 10.000 en 15.000 mannen als vaste krachten hebben gewerkt aan de bouwprojecten. Hoeveel seizoenskrachten er in dienst waren tijdens de overstromingstijd is moeilijk in te schatten. Maar de samenwerking tussen al die duizenden arbeiders moet perfect zijn geweest.
In de piramide De ingang van de piramide ligt op het noorden op 17 meter boven het maaiveld ter hoogte van de 19e steenlaag en was oorspronkelijk maar Het gat dat tegenwoordig in de piramide zit is in de 9e eeuw erin geslagen door een zoon van Haroen al Rasjid, de beroemde kalief van We volgen de slingerende gang tot we de originele ruimtes bereiken. We staan dan op een splitsing, rechtdoor en dan rechts gaat een gang omlaag naar de ondergrondse kamer en meteen rechtsaf gaan we naar de grote galerij. Op dit punt zien we links twee grote granieten blokken van 2 meter lengte uit de muur steken die oorspronkelijk in een deel van de corridor zaten. Zij dienden als effectieve afsluiting tegen grafrovers. Aangezien de ondergrondse kamer niet toegankelijk is voor toeristen gaan we rechtsaf. Daar begint de omhooglopende gang, die veertig meter lang is, met een hellingshoek van 26 graden. De hoogte van de gang is ca. 1,20 meter en het is een hele klim in gebukte houding. Het eindigt spectaculair onderaan de grote galerij. Die is 8,53 meter hoog, 2,1 meter breed en 46,7 meter lang en vervolgt de weg 26 graden schuin omhoog naar de korte gang die naar de zogenaamde koningskamer leidt. Dit punt, waar de lage gang uitkomt op de galerij is een knooppunt in het kamersysteem van de piramide. Hier vandaan kunnen we naar de koninginnekamer, de koningskamer, maar ook naar de ondergrondse kamer, via een verticaal omlaag gaande heel smalle route. We bevinden ons hier op het niveau van de 25e steenlaag op 22 Dit punt is ook van belang geweest voor de architecten die de piramide bouwden, omdat hier de afsluiting van de toegang tot de piramide moest plaatsvinden. Er waren vier kardinale plekken die moesten worden afgesloten na voltooiing van de bouw: de buitenzijde, de lange gang, de sarcofaagkamer en de verticale schacht.
De grote galerij De grote galerij speelde, dat is tenminste één theorie, een cruciale rol in het afsluiten van het binnenste van de piramide. We zullen deze redelijk plausibel klinkende theorie nader toelichten, maar eerst kijken we rond in de grote galerij. De galerij heeft een kraaggewelf zoals de kamers van Snefroe, maar het is hier tot grote perfectie gevoerd. Het gewelf is strak uitgevoerd en volgt feilloos de opstijgende lijn naar de koningskamer. Aan beide zijden van de galerij loopt langs de muur een smalle rand met daarin, op regelmatige afstanden afwisselend 27 kleinere en grotere rechthoekige nissen. Waar deze nissen voor dienden is nog steeds een punt van discussie. Er is wel een aantal opmerkelijke feiten die wellicht iets onthullen over de functie, of tenminste een deelfunctie. De grote galerij is even lang, 47 meter, als de smalle gang die erop aansluit. Het is mogelijk dat in de nissen balken vastzaten die grote kalkstenen blokken tegenhielden die op de glijbaan in het midden lagen. De hele serie 1,45 meter lange stenen zou de lange gang vrijwel helemaal afsluiten als ze daarin zouden worden neergelaten. De mannen, zes tot acht, die dit karwei moesten uitvoeren zouden eerst de drie valstenen naar de koningskamer hebben laten zakken en vervolgens de lange gang hebben afgesloten met de stenen uit de grote galerij. Dat betekende wel dat zij via de normale route niet meer konden ontsnappen uit de piramide. Daarom was er de smalle verticale vluchtroute die via de ondergrondse kamer en de dalende gang naar de uitgang leidde. Deze plausibel klinkende theorie verklaart echter niet waarom de grote galerij zo groot werd gemaakt, als dit de enige functie was. Hoe het ook zij, met zijn overweldigende impact is het in ieder geval de meest raadselachtige ruimte in de piramide.
De serdabkamer Op het 25e bouwniveau werd begonnen met het ingewikkeldste bouwproces van de 210 lagen die de piramide telde. Op dit niveau ontstond de eerste kamer. We kunnen onderaan de galerij namelijk rechtdoor gaan door een gang die naar de ‘koninginnekamer’ leidt, midden in de piramide. Ook die gang is meestal afgesloten zodat we als toerist weinig kans maken er toegang toe te krijgen. De gang erheen is 37,80 meter lang, 1,17 meter hoog en 1,05 meter breed. De kamer ligt precies op de oostwest as van de piramide en is bekleed met kalksteen. De maten zijn 5,74 bij 5,23 meter en het hoogste punt van het zadeldak ligt op 6,22 meter. In de oostelijke muur is een 4,7 meter hoge nis met in de achterwand een tunnel van 15,30 meter lengte. De eerste zeven meter vertonen de wanden gladde goed afgewerkte zijden, daarna zijn ze ruw uitgehakt. Het is daarom niet waarschijnlijk dat het om een tunnel van grafrovers gaat want die zouden de gang niet zo glad hebben uitgehakt. Waarvoor de tunnel dan wel diende is een raadsel. Het is goed mogelijk dat in de nis een levensgroot beeld van Choefoe heeft gestaan; dat zou de veronderstelling dat de koninginnekamer in werkelijkheid een serdab voor het Ka-beeld van de koning was ondersteunen. Het meer dan levensgrote beeld, waarschijnlijk uit kalksteen, moet voordat het plafond werd aangebracht in de nis zijn geplaatst. In de nis zullen dan bijgaven hebben gelegen voor de Ka van de koning.
Het granieten tijdperk Aan het boveneinde van de grote galerij volgt een korte gang en een klein voorvertrek. Daarna betreden we de koningskamer die op 42 meter hoogte in de piramide is gebouwd. De kamer meet 10,46 bij 5,23 meter en is 5,81 meter hoog en helemaal bekleed met grote platen rood graniet uit de groeven van Aswan. Het gewicht van die bekleding loopt bij een aantal op tot ca. 80 ton en de negen 5,50 meter lange plafondplaten wegen bij elkaar 370 ton. Er zijn in totaal 130 granieten platen gebruikt met een totaalgewicht van 1700 ton. Dit alleen al maakt deze kamer buitengewoon en de fascinerende vraag blijft hoe ze die enorme granieten panelen tot meer dan 40 meter hoogte hebben gekregen. De koningskamer, of beter sarcofaagkamer, heeft een enorme impact op bezoekers. Deze eenvoudige rechthoekige ruimte met zijn granieten sarcofaag maakt indruk vanwege zijn monumentale eenvoud, de overweldigende gedachte dat mensenhanden dit voor elkaar hebben gekregen en het feit dat de akoestiek uniek is. Hoewel het door de bewaking streng wordt verboden, raad ik iedereen die de koningskamer bezoekt aan eens een toon te zingen. Het effect van de boventonen die daarop volgen is uniek. In de koningskamer staat een roodgranieten sarcofaag uit één massief blok van 2,27 bij 0,98 bij 1,05 meter gehouwen, die 2,5 cm te groot is voor de deuropening, hetgeen impliceert dat hij in de onafgebouwde ruimte moet zijn gezet vóórdat men het plafond plaatste! Het feit dat de sarcofaag uit één stuk is gemaakt is een wonder van technisch vernuft. De Egyptische handwerkers hebben een massief blok perfect uitgehold en glad afgewerkt. Bovendien zijn er een aantal gaatjes geboord in de rand om de deksel goed op zijn plaats te bevestigen. Hoe en met welke gereedschappen holden zij een hard granieten blok uit en waarmee werkten ze het zo perfect af? Waarom gebruikten ze überhaupt zo’n keihard gesteente terwijl ze ook alleen kalksteen hadden kunnen gebruiken? Laten we het gebruik van graniet eens nader onder de loep nemen. In de piramide van Choefoe is in totaal ongeveer 2000 kubieke meter graniet verwerkt. Zelfs in de verborgen kruipruimtes boven de sarcofaagkamer zijn grote granieten balken gebruikt. Het was voor het eerst dat dit materiaal bij de bouw van een koningsgraf werd gebruikt, maar niet voor het laatst. Zijn opvolgers Chefre en Menkaure gebruikten gezamenlijk 33.000 kubieke meter van het harde gesteente en dat was 70% van het totaal gedurende het Oude Rijk. Choefoe, Chefre en Menkaure zou je dan ook de ‘granieten generatie’ kunnen noemen. Tijdens het koningschap van Choefoe had de technische kennis een niveau bereikt dat men de basaltgroeves in de Fajoem en de granietgroeves in Aswan industrieel kon gaan ontginnen. Dat betekent dat men beschikte over de logistieke organisatie die nodig was om de gigantische blokken over water naar Gizeh te vervoeren en over de technische middelen om het harde gesteente uit te zagen, te bewerken en te plaatsen. Hoe ze er in slaagden de zeer harde stollingsgesteenten zoals graniet, basalt en het nog hardere dioriet te bewerken is een groot raadsel. Tegenwoordig gebruiken we draad- en cirkelzagen bezet met diamanten om deze gesteenten te bewerken, maar voor zover we weten was diamant onbekend bij de Egyptenaren en het hardste metaal dat ze konden bewerken was koper (hardheidsgraad 2,5 tot 3), niet eens hard genoeg om krasjes te maken op graniet en dioriet! Toch produceerden de ambachtslieden van Choefoe gladde oppervlakten van vele vierkante meters in graniet, prachtig reliëfwerk en holden ze een groot granieten blok uit tot een sarcofaag. Rond de piramide vind je overal sporen van strakke zaagsnedes in granieten resten en diepe boorgaten die getuigen van een hoog technisch kunnen. Dat duidt er op dat zagen en boren in hard gesteente dagelijkse kost was ten tijde van Choefoe. Niet alleen de vraag met welk materiaal ze de gaten boorden, is onbeantwoord, maar ook hoe ze de nodige rotatiesnelheid produceerden en hoe ze het probleem van de optredende wrijvingshitte bestreden. Of al deze technische vragen ooit beantwoord zullen worden is twijfelachtig, maar we moeten constateren dat men over de techniek beschikte en in staat was de drie koningen die in Gizeh een piramide bouwden rijkelijk te voorzien van vakkundig bewerkt graniet, basalt en dioriet.
De sarcofaagkamer De sarcofaag van Choefoe staat niet centraal in de ruimte maar aan de westelijke zijde dicht bij de wand, exact op de centrale as van de piramide, precies onder de punt. Het plafond van de koningskamer is gemaakt van negen machtige granieten platen die samen 400 ton wegen. Dat die in al die duizenden jaren niet zijn bezweken onder het gewicht van de enorme massa stenen erboven is te danken aan een vernuftige constructie. Die werd in de 18e Op de muren van de verschillende ontlastingskamers zijn veel moderne graffiti achtergelaten, maar ook de enige verwijzing naar Choefoe gemaakt door de piramidebouwers zelf. Behalve de naam van de koning en die van de werkploeg staat er een jaaraanduiding: ‘17e jaar van de De namen ‘koninginnekamer’ en ‘koningskamer’ zijn zoals gezegd volkomen misplaatst. Ze zijn bedacht door dezelfde al Ma’mum die het gat erin maakte. Vandaar dat ik kies voor de alternatieve benamingen serdabkamer en sarcofaagkamer. Alle kamers in de piramide van Choefoe samen hebben een inhoud van 1500 kubieke meters, dat is 0,06% van het totale bouwvolume. Toen de bouw van de ontlastingsruimtes boven de sarcofaagkamer gereed was, had de bouw het 85e bouwniveau bereikt, was de piramide 65
De sterrenschachten De drie kamers (de twee genoemde en de ondergrondse), de grote galerij en de gangen werden gecompleteerd door vier smalle schachten: twee in de serdabkamer en twee in de sarcofaagkamer. De schachten in de serdabkamer, zitten in de noord- en de zuidwand. Ze waren verborgen achter de wanden en werden pas in 1872 ontdekt door Wayman Dixon, een ingenieur die werkte voor de onderzoeker Piazza Smyth. Dixon wist van de schachten in de sarcofaagkamer en ging met een hamertje op zoek naar die in de serdabkamer. Hij klopte de hele ruimte af en op twee plaatsen klonk het hol, daar vond hij de schachten. In 1993 ontdekte men bij toeval dat er een deurtje in een van die schachten zat met twee koperen handvaten. Het Duits archeologisch instituut van Cairo had opdracht gekregen na te gaan of in de schachten een ventilatiesysteem kon worden geïnstalleerd. De vele duizenden bezoekers per jaar zorgen voor slechte lucht in de piramide en een goed luchtverversingssysteem was dringend nodig. Elke bezoeker laat namelijk ca. 20 gram vocht achter in de piramide. Niet alleen het vocht maar vooral de zouten erin vormen een bedreiging voor de kalksteen. Rudolf Gantenbrink, ook een ingenieur, bouwde een klein robotwagentje met een camera erop dat de schacht in kon rijden. Zo kon men onderzoeken hoever de schachten doorliepen naar buiten. In de zuidelijke schacht bleek een deurtje de weg te belemmeren, op zo’n zes meter van de buitenwand, en toen men later door dat deurtje heen boorde bleek 70 centimeter verder weer zo’n deurtje te zitten. Eén ding was wel duidelijk geworden door het onderzoek, de altijd met ‘luchtschachten’ aangeduide schachten verdienden een nieuwe naam. Het werd ‘sterrenschachten’.
Wegen naar de sterren? De vier schachten in de piramide van Choefoe blijken bij nader onderzoek gericht te zijn op een aantal belangrijke sterrenconstellaties aan de noordelijke- en zuidelijke hemel. Aan de noordelijke hemel zijn dat de circumpolaire sterren (de sterren die nooit ondergaan) en de poolster (in die dagen de ster alfa draconis in het sterrenbeeld draak). Aan de zuidelijke hemel zijn het de gordel van Orion (een groot zuidelijk sterrenbeeld dat voor de Egyptenaren met Osiris samenhing) en de ster Sirius (de ster van Isis). De schachten wezen naar die sterren op het moment dat zij in de loop van het jaar hun hoogste stand bereikten. Het zou kunnen dat de vier schachten een ceremoniële functie hadden en geen praktische. Als dat zo is, dan moet het ritueel wel heel belangrijk zijn geweest want het inbouwen van de schachten gedurende het groeiproces van de piramide was bouwtechnisch gezien een ongekend hoogstandje. Als de schachten een ceremoniële functie hadden dan is de richting waarin ze wijzen cruciaal om dat ceremonieel te achterhalen. Gezien het feit dat Orion (Osiris), Sirius (Isis), de deuropening naar de hemel en Upuat (de opener der wegen) erbij betrokken zijn, lijkt het te maken te hebben met het naar de hemel sturen van de overleden koning. Zoals de piramide zelf een trap was waarlangs de koning naar de hemel kon opstijgen, lijken de schachten een soort lanceerinstallatie te vormen om dat proces ritueel te begeleiden. De noordelijke schacht in de sarcofaagkamer die gericht is op Alfa Draconis wijst de weg naar de ingang van de godenwereld. De circumpolaire sterren, Ikhemoe-sek ‘de onverwoestbaren’ zoals ze werden genoemd, vormden de deuropening waardoor een overleden farao de wereld van de goden kon betreden. Het zijn dezelfde sterren waar Djoser vanuit zijn Serdab bij zijn trappiramide in Sakkara naar kijkt. De zuidelijke schacht van de sarcofaagkamer wees naar de gordel van Orion. Orion was de woonplaats aan de hemel van Osiris en dus ook van elke gestorven koning. De noordelijke schacht in de serdabkamer wees naar de ster Beta Ursa Minor in de Kleine Beer. De Kleine Beer heeft de vorm van het rituele gereedschap waarmee het mondopeningritueel wordt verricht op de mummie om die weer tot leven te wekken. Dat disselvormige gereedschap was gemaakt van meteoorijzer bja, het enige ijzer dat men in het Oude Rijk kende en dat men ‘hemels metaal’ noemde. In de piramideteksten wordt die dissel mesjtoe genoemd dat ‘dijbeen’ betekent maar wordt ook wel aangeduid met ‘de dissel van Upuat’ de god die ‘de wegen opent’. De zuidelijke schacht wees naar Sirius, de Hondster, die symbool stond voor Isis. Sirius was voor de oude Egyptenaren een belangrijke ster, omdat zij elk jaar weer boven de zuidelijke horizon verscheen, vlak voor aanvang van de overstroming. In 1994 verscheen Het Orionmysterie van Robert Bauval en Adrian Gilbert waarin deze theorie gedetailleerd werd uitgewerkt. Het riep veel reacties en heftige discussies onder egyptologen op en de theorie is zeer omstreden. Eén van de argumenten tegen hun theorie is dat de Egyptenaren geen grote belangstelling zouden hebben gehad voor astronomie en onvoldoende kennis op dat gebied bezaten. De vraag is hoe ze dan in staat waren de piramide van Choefoe zo onvoorstelbaar nauwkeurig te richten op de noordpool. Daarvoor waren exacte waarnemingen van de beweging van de sterren nodig. Bovendien moest je dan het precieze noorden kunnen fixeren. Waren de piramidebouwers daartoe in staat? Het antwoord kwam van een egyptologe uit Amerika. In november 2000 publiceerde Kate Spence, werkzaam aan de Cambridge universiteit, een artikel in Nature dat daar een mogelijk antwoord op geeft. Spence deed onderzoek naar de geografische ligging van de piramides en de wijze waarop ze uitgericht zijn op de vier windstreken. Bij alle exemplaren is daar een kleinere of grotere afwijking in te zien, iets dat tot nu toe werd geweten aan het feit dat men niet over de middelen beschikte om het nauwkeuriger te doen. Spence ontdekte echter dat in de afwijkingen ten opzichte van het exacte noorden een systeem te vinden is. Alle piramides wijken met hun noordzijde iets naar het oosten af. Maar die afwijking bleek niet willekeurig te zijn. Spence stelde vast dat hoe recenter een piramide is gebouwd des te groter de afwijking is. De verklaring daarvoor moest te vinden zijn in de manier waarop de oude Egyptenaren het noorden bepaalden. Spence stelt dat de Egyptenaren bij het bepalen van het exacte noorden twee sterren peilden rond de toenmalige poolster (Afa Draconis) en dat de lijn tussen die beide sterren door de hemelpool liep. Het sterrenpaar waarmee de Egyptische meetkundigen dat deden moet bestaan hebben uit de ster Mizar, uit de Grote Beer, en de ster Kochab uit de Kleine Beer. Astronomen lieten Spence middels een computerprogramma zien dat er maar één moment was waarop dat peilen van het noorden precies lukte, namelijk in 2467 voor Christus. Alleen in dat jaar stonden Mizar en Kochab precies op één lijn met de hemelpool. Daarna ontstond een afwijking naar het oosten door de tollende beweging van de aardas, de precessiebeweging. De afwijkingen die daardoor ontstaan komen precies overeen met de afwijkingen van de piramides ten opzichte van het exacte noorden. De piramide van Choefoe heeft de kleinste afwijking en moet dus rond het jaar 2467 zijn uitgericht. Spence kwam door metingen van de afwijking, 3 boogseconden, op het jaar 2478, en dat is 74 jaar later dan egyptologen steeds hebben aangenomen. Behalve dat zij met die nieuwe cijfers een chronologisch probleem op het bordje van de egyptologie legt, maakt de theorie van Spence in ieder geval een einde aan het argument dat piramidebouwers niet omhoog keken. De piramides waren dus wel degelijk gericht op de kosmische wereld en de correlatie met hun koningsmythologie is opvallend. Eenvoudigweg ontkennen dat er een verband bestaat tussen de sterren en de piramidebouw is een onhoudbaar standpunt geworden, zelfs voor de meest verstokte tegenstanders van die theorie. Er is een eigenaardige samenloop van omstandigheden die door de theorie van Spence aan het licht komt. De piramide van Choefoe is architectonisch de meest volmaakte. Ze vertoont de kleinst mogelijke afwijkingen, de gangen en kamers zijn van een ongekende perfectie en ze lijkt wel onverwoestbaar. Nu blijkt zij ook nog eens gebouwd te zijn op het moment in de 25.920 jaar durende precessiecyclus dat de sterren zo stonden dat je het exacte noorden met hun hulp precies (met een geringe afwijking van 3 boogseconden) kon vastleggen en gebruiken. Het toppunt van vakmanschap viel samen met een astronomisch uniek moment in de geschiedenis, tenminste voor de werkwijze van de Egyptische astronomen.
|
Powered by Joomla!. Designed by: Free Joomla Template, website hosting. Valid XHTML and CSS.
meer over piramides